GEPASSIONEERDE FOKKERS
BLIJVEN LEREN.

Succesvolle fokprogramma's

Archiefdocument IAMS COMPANY

Iams is sinds 1999 een gedeponeerd handelsmerk van The Procter & Gamble Company. Dit is een archiefdocument dat in het verleden is gebruikt door Iams Pet Food of voor Iams Pet Food-producten. Alle vermeldingen in dit document dienen te worden geplaatst in de context van de tijd en geografische locatie van het eerste gebruik, aangezien de omstandigheden en producten in de tussentijd mogelijk zijn veranderd. Producten en bijbehorende gegevens zijn uitsluitend van toepassing op de VS. Deze documenten mogen uitsluitend worden gebruikt met toestemming van P&G.


SUCCESVOLLE FOKPROGRAMMA'S

Russ L. Kelley, MS
Presented 2002

EEN FOKPROGRAMMA ONTWIKKELEN

Succesvolle fokprogramma's komen niet uit de lucht vallen; ze worden ontwikkeld en zijn vaak het resultaat van jarenlange inspanningen. Om succesvol te kunnen zijn, is een van de eerste vragen die een fokker zich moet stellen: "Wat wil ik bereiken?"

Deze vraag is net zo belangrijk voor een fokker die één hond heeft als voor een fokker met 50 honden. Maar wat is een zinnig antwoord op deze vraag? Maak om te beginnen een plaatje in uw hoofd van de perfecte hond. Als u dit beeld voor ogen hebt, maakt u een lijstje van de kenmerken die uw perfecte hond perfect maken. Daarmee hebt u antwoord op de vraag "Wat wil ik bereiken?". De volgende stap is het opstellen van een aantal duidelijk omschreven doelstellingen voor het fokprogramma.

Helaas vertrouwen veel fokkers simpelweg op geluk. Doelstellingen dienen als referentiepunt, aan de hand waarvan u uw inspanningen kunt evalueren. De doelstellingen moeten duidelijk en bondig worden gedefinieerd; slecht omschreven doelen leveren geen positieve bijdrage aan welk fokprogramma dan ook. Zonder duidelijke doelen kan elk willekeurig teefje net zo goed door elke willekeurige hond worden gedekt. Het formuleren van doelstellingen voor een fokprogramma kan een flinke kluif zijn, maar wordt vaak makkelijker als u het teefje eerst eens kritisch bekijkt. Een eenvoudig maar effectief startpunt is de vraag: Zou ik dit teefje hebben gekocht als ik toen wist wat ik nu weet?

Dit is waarschijnlijk een van de lastigste vragen voor een fokker, omdat het overgrote deel van de teefjes als pup of jongvolwassene is gekocht en er na al die jaren een emotionele band is ontstaan. Het is echter noodzakelijk dat u het teefje evalueert op basis van feiten en niet emoties. Als u de vraag met "nee" beantwoordt, laat u de hond niet dekken. Is het antwoord echter "ja", dan is verdere analyse gerechtvaardigd voordat u een eindbesluit neemt.

Wat zijn de sterke en zwakke punten van het teefje? Door de kenmerken van het teefje in categorieën in te delen, kunt u bepalen of het de moeite waard is haar te laten dekken, maar ook welk type reu daarvoor geschikt is. Maar welke kenmerken zijn van belang? Hiervoor bestaan geen harde regels.

Het is aan de fokker om zo gedegen mogelijk in kaart te brengen welke kenmerken hij wil ontwikkelen (of behouden), welke kenmerken ongewenst zijn en vervolgens vast te stellen in hoeverre het teefje hieraan kan voldoen. Ook is het raadzaam om de kenmerken onder te verdelen in primair en secundair. Primaire kenmerken zijn de eigenschappen die de fokker als essentieel beschouwt. Secundaire kenmerken zijn prettige maar niet noodzakelijke eigenschappen.

Primaire kenmerken

Concentreer u om te beginnen op de primaire kenmerken; hiertoe behoren eigenschappen die in hoge mate erfelijk zijn, zoals lichaamsbouw. Hoewel afwijkingen in de lichaamsbouw niet betekenen dat een dier niet prima kan presteren in het veld, kan een aandoening als heupdysplasie zijn gestel en levensduur beslist beperken. Is het teefje afkomstig uit een geslacht met reproductieve problemen, zoals slechte lactatie? Andere primaire kenmerken die, afhankelijk van het ras, van belang kunnen zijn, zijn bijvoorbeeld reukzin, jachtvermogen en drijfzin.

Een goede vuistregel voor de erfelijkheid van kenmerken is dat structurele kenmerken (lichaamsbouw) erfelijker zijn dan functionele kenmerken (voortplanting), die weer erfelijker zijn dan gedragskenmerken (pointingstijl). Om deze reden doet een fokker er goed aan kritischer te kijken naar kenmerken met een hoge erfelijkheidsfactor, zoals lichaamsbouw.

Secundaire kenmerken

Secundaire kenmerken hebben vaak weinig invloed op de prestaties. Zaken als de kleur en tekening van de vacht zijn voorbeelden van secundaire kenmerken. Dergelijke kenmerken moeten echter niet helemaal buiten beschouwing worden gelaten. Denk nog eens aan het beeld dat u hebt gevisualiseerd van de perfecte hond: vaak zijn het de secundaire kenmerken die de puntjes op de i zetten in hetgeen de fokker probeert te bereiken.

Wanneer u de sterke en zwakke punten van een teefje hebt geïnventariseerd en nog altijd vindt dat ze moet worden gedekt, is de volgende stap het selecteren van een groep potentiële vaders. Hoewel ook dit een lastige keuze is, bent u nu al voor de helft op weg. Bepaal op basis van de lijst met sterke en zwakke punten van het teefje welke kenmerken moeten worden versterkt. Als het teefje een enigszins zwakke lichaamsbouw heeft, kiest u alleen kandidaatvaders met een sterke bouw.

Het komt erop neer dat u alle zwakke punten van het teefje probeert te ondervangen door een vader te selecteren die op die punten juist hoog scoort. Omgekeerd kunnen de sterke punten van het teefje als compensatie dienen voor eventuele zwakke punten van de vader. Een van de grootste fouten die een fokker kan maken, is een fokdier te kiezen vanwege het gemak. Uw teefje laten dekken door de hond van de buren levert natuurlijk puppy's op, maar mogelijk niet het soort dat u had gewenst. Bedenk dat het streven van fokkers het voortbrengen is van pups die het ras zowel qua vorm als functie verbeteren.

DE FOKTEEF VERZORGEN – vóór het dekken

De juiste verzorging van de fokteef begint niet bij het dekken. Net zoals een hond moet worden voorbereid op een wedstrijd of jachtpartij, moet een teefje ook worden voorbereid op het dekken. De fokker dient vóór het dekken alle denkbare voorzorgsmaatregelen te nemen om zich ervan te verzekeren dat het teefje in optimale gezondheid verkeert. Een bezoekje aan de dierenarts voor een fysiek onderzoek is de moeite waard.

Alle teefjes moeten vóór het dekken de vereiste vaccinaties hebben gehad en vrij zijn van infecties en parasieten. Ook is het goed om documentatie over de gezondheidstoestand van de dekreu op te vragen, ongeacht diens achtergrond. Hoewel Brucella canis momenteel relatief weinig voorkomt, vormt deze ziekte nog altijd een ernstig risico dat jarenlange inspanningen teniet kan doen.

De fokker moet er bovendien voor zorgen dat het teefje een goede fysieke conditie heeft. Net als andere honden heeft ook de fokteef elke dag lichaamsbeweging nodig en dient ze voeding te krijgen die is afgestemd op haar energiebehoefte en haar inspanningniveau. Het teefje moet beschikken over duidelijk aanwezige spiermassa, maar ook over enig lichaamsvet. Een dergelijke fysieke conditie draagt bij aan een gezond endocrien systeem en dit is cruciaal voor het welslagen van het fokprogramma.

Wanneer moet het dekken plaatsvinden?

Decennialang zijn hondenfokkers op zoek geweest naar een manier om de ideale dekdatum exact te kunnen bepalen. Zwelling van de vulva, pre-oestrische bloeding, blijven staan, de staart opzij zetten, uitstrijkjes van de vaginawand en willekeurige dagbepaling: het is allemaal geprobeerd. Met geen van deze methoden kan de ideale dekdatum echter nauwkeurig genoeg worden bepaald. Nog altijd wordt de dekdatum op traditionele wijze geschat en dit levert vaak een zwangerschapspercentage van 90% op.

Meestal wordt het teefje gedekt op de tweede en de vierde dag nadat ze zich bereid heeft getoond de reu toe te laten. Met de kennis die we momenteel hebben over het endocriene stelsel van de hond kunnen we het juiste dekmoment echter nauwkeuriger schatten.

De voortplantingscyclus van de teef bestaat uit vier fasen: pre-oestrus, oestrus, metoestrus (di-oestrus) en anoestrus. Hoewel niet altijd even makkelijk, kan elke fase aan de hand van fysieke of endocriene factoren worden herkend. Op basis van een van deze endocriene factoren, de toename van progesteron, kan de eisprong nauwkeurig worden voorspeld. De eisprong kan plaatsvinden op de derde dag na de pre-oestrische bloeding of tot wel 21 dagen later.

Vers sperma is na ongeveer vijf dagen in de baarmoeder nog altijd levensvatbaar; zo zorgt de natuur ervoor dat de meeste teefjes toch zwanger raken. In tegenstelling tot vers sperma blijft vers verdund gekoeld sperma echter maar ongeveer drie dagen levensvatbaar en ingevroren sperma ongeveer een dag. Om zich van succes te verzekeren, moet de fokker bij kunstmatige inseminatie (KI) dus een geavanceerder systeem hanteren dan de traditionele methode.

Idealiter is de dierenarts van de fokkerij betrokken bij het vaststellen van de meest geschikte dekkingsdatum. Testen bij het teefje moeten beginnen op de vijfde dag van de pro-oestrus (bloeding) of wanneer de dierenarts het gewenst acht. Om de twee tot drie dagen moeten er bloedmonsters worden afgenomen, totdat er hormonale veranderingen te zien zijn die op de eisprong duiden. Wanneer de eerste toename van progesteron is waargenomen, kan de dekking worden gepland voor vier tot zes dagen daaropvolgend.1

Als KI wordt toegepast, moeten de tests worden voortgezet totdat de progesteronwaarde 5 ng/ml is; dit geeft aan dat de eisprong heeft plaatsgevonden. Het teefje moet twee tot drie dagen na de eisprong worden gedekt, wanneer ze vruchtbaar is.

Het dekken

Hondenfokkers kunnen hun teefjes op twee manieren laten bevruchten: via natuurlijk dekken of kunstmatige inseminatie. Natuurlijk dekken kan eenvoudig of frustrerend zijn. Niet alle reuen hebben even veel zin in de geslachtsdaad en sommigen hebben fysieke hulp of minimaal mentale aanmoediging nodig. Een bereidwillige reu die makkelijk dekt, is een waardevol bezit.

Tijdens natuurlijke dekkingen wordt het teefje vaak aangelijnd (muilkorf en leiband), omdat pogingen om te bijten of weg te komen de reu kunnen verwonden. Als het teefje echter agressief is of de reu niet wil toelaten, is het raadzaam om te controleren of de dekkingsdatum wel correct is gepland (zie "Wanneer moet het dekken plaatsvinden"). Het komt vaak voor dat het teefje zich dan aan het einde van de pro-oestrus bevindt en de oestrus nog niet is gestart.

Bedenk dat de meeste reuen bereid zijn te paren voordat het teefje ontvankelijk is. Reuen zijn daarom geen goede graadmeter. In het ideale geval resulteert de paring erin dat de reu en de teef een aantal minuten gekoppeld "kont-aan-kont" komen te staan. De zaadlozing wordt gedurende deze tijd voortgezet en het sperma komt in de nabijheid van - niet in - de baarmoedermond van het teefje terecht. Zonder deze verlengde zaadlozing neemt de kans op bevruchting af.

Hoewel natuurlijke dekking door de meeste voortplantingsexperts nog altijd wordt gezien als de meest effectieve methode, biedt KI een aantal specifieke voordelen en wint deze techniek onder hondenfokkers aan populariteit. Voor een deel is dit te danken aan de voortschrijdende ontwikkelingen op het gebied van KI, maar waarschijnlijk nog meer aan het feit dat fokkers hun teefjes steeds vaker willen laten dekken door topreuen, ongeacht op welke afstand deze zich bevinden. Veel eigenaars van tophonden geven bovendien de voorkeur aan KI, zelfs wanneer ze ook het teefje in bezit hebben, om de kans op letsel bij hun waardevolle hond te verkleinen.

De KI-methode is weliswaar niet moeilijk, maar komt hier verder niet diepgaand aan de orde. Wie geïnteresseerd is in deze techniek, wordt aangeraden zich professioneel te laten scholen of zich ten minste te laten bijstaan door iemand die ermee vertrouwd is sperma te verzamelen bij de reu en te insemineren bij het teefje. Dit is van belang, omdat gebrek aan ervaring tot gevolg kan hebben dat een waardevol dier blijvend letsel oploopt.

Kunstmatige inseminatie wordt uitgevoerd met vers, vers verdund gekoeld of ingevroren sperma. Bij KI met vers sperma wordt sperma afgenomen bij de reu en vervolgens vaginaal geïnsemineerd bij het teefje. KI met vers sperma komt veel voor en geniet de voorkeur van bezitters van zeer waardevolle dekreuen. Zoals eerder vermeld, verkleint deze werkwijze de kans dat de reu tijdens de paring letsel oploopt. Het is weliswaar niet nodig, maar wel raadzaam om de beweeglijkheid van het sperma te controleren. Een nadeel van KI met vers sperma, evenals van natuurlijke dekking, is dat de reu en de teef zich op dezelfde locatie of in elk geval op niet te grote afstand van elkaar moeten bevinden.

Vers verdund gekoeld sperma daarentegen, wordt bij de reu afgenomen, behandeld en een aantal dagen gekoeld opgeslagen tot gebruik. Het grootste voordeel van vers verdund gekoeld sperma is dat het vanaf praktisch elke plek ter wereld naar het teefje kan worden verzonden. Dit biedt fokkers de mogelijkheid om tegen relatief lage kosten te werken met topreuen die over de gewenste kenmerken beschikken. Aangezien het veel goedkoper is om een rietje met sperma in een koelbox te verzenden dan een teef of reu, is het gebruik van vers verdund gekoeld sperma de laatste jaren aanzienlijk toegenomen.

Op dit moment wordt KI met ingevroren sperma voornamelijk uitgevoerd wanneer de reu niet meer vruchtbaar is of, wat vaak het geval is, niet meer leeft. Bij het gebruik van ingevroren sperma wordt de fokker met klem aangeraden de eigen dierenarts of een dierenarts die is gespecialiseerd in voortplanting erbij te betrekken. Dit is van belang vanwege 1) de beperkte levensvatbaarheid van ingevroren sperma en 2) de kosten. Sperma dat de moeite waard is om cryogeen op te slaan, is vaak heel duur en kost soms een aantal duizenden dollars per dosis.

Bij inseminatie met duur sperma kan de fokker ook overwegen om een voortplantingsexpert in te schakelen en transcervicale inseminatie of intra-uterine inseminatie toe te passen, waarbij het sperma rechtstreeks in de baarmoeder wordt gebracht. Deze technieken zijn duurder, maar in beide gevallen is de kans op zwangerschap in het algemeen groter dan bij vaginale inseminatie.

VOEDINGSONDERSTEUNING TIJDENS DE DRACHT EN HET ZOGEN

Voeding is een van de meest cruciale factoren voor de prestaties van een dier in het veld. Hetzelfde geldt voor fokteefjes. Naast het DNA van een dier is voeding waarschijnlijk zelfs de belangrijkste voorwaarde voor een succesvol fokprogramma. Helaas hebben veel fokkers geen oog voor de voedingsbehoeften van een teefje tijdens de dracht en het zogen.

Zoals een paraplu ons beschermt tegen de regen, biedt optimale voeding het teefje en haar kroost bescherming tegen stofwisselings- en omgevingsstress tijdens de dracht en het zogen.

In het voortplantingsproces moet de voeding van het teefje ondersteuning bieden voor: 1) haar fysieke conditie, 2) de groei van haar voortplantingsweefsels en 3) de groei en ontwikkeling van haar baby's (afbeelding 1).

Afbeelding 1. Het nut van voedingsstoffen voor de fokteef

Voor deze voedingsstoffen gelden echter niet op alle genoemde gebieden dezelfde vereisten en prioriteit. Wanneer maternale herkenning van de dracht heeft plaatsgevonden, heeft de ontwikkeling van de pups de hoogste prioriteit, gevolgd door groei van de voortplantingsweefsels van het teefje en als laatste het op peil houden van haar lichamelijke conditie. Belangrijk om in het oog te houden, is dat de pups -in tegenstelling tot het teefje- over twee voedingsbronnen beschikken: de voeding van de moeder en het lichaam van de moeder (afbeelding 1).

Als de voeding van het teefje tekortschiet, wordt het onderhouden van haar lichamelijke conditie opgeofferd en worden er voedingsstoffen uit haar lichaamsvet, spieren en botweefsel gehaald ten gunste van de pups en haar voortplantingsweefsels. In extreme gevallen is haar enige oplossing het reduceren van het eisenpakket door het aantal pups te verkleinen of de hele zwangerschap af te breken.

In welke mate het teefje in staat is om tekorten aan voedingsstoffen op te vangen, is niet bekend. Aangezien voedingstekorten bij moeders van andere diersoorten in verband zijn gebracht met aandoeningen bij volwassen nageslacht2, is het echter van cruciaal belang dat de moeder optimale voeding krijgt.

Onder de eerste publicaties over de specifieke voedingsbehoeften van fokteefjes waren die van Campbell en Phillips3, en Ontko en Phillips4. In beide onderzoeken werd geconcludeerd dat voeding die volstaat voor de groei en het onderhouden van een hondenlichaam niet toereikend is bij voortplanting.

Deze onderzoeken zijn evenwel bijna 50 jaar geleden uitgevoerd en het is niet waarschijnlijk dat moderne groeivoeding niet voldoet bij voortplanting. Volstaan moet echter niet het doel zijn. Toereikende voeding staat niet gelijk aan optimale voeding. Wanneer voeding volstaat, betekent het niet meer dan dat het teefje de dracht kan volbrengen. Collins5 stelde vast dat de belasting die gepaard gaat met voortplanting zelfs het kleinste tekort aan voedingstoffen in zogenaamd complete voeding waarneembaar zou maken.

Mogelijk zijn dergelijke tekorten niet ernstig genoeg om het teefje te belemmeren in de voortplanting, maar hoogst waarschijnlijk presteert ze dan niet naar beste kunnen.

Essentiële en niet-essentiële voedingsstoffen

Voedingsstoffen worden over het algemeen gezien in de verhouding waarin ze in voeding voorkomen, bijvoorbeeld X% eiwit, Y% vet, enzovoort. Maar zoals niet alle vogeltjes gelijk zijn gebekt, geldt dit ook voor voedingsstoffen tijdens de dracht en het zogen. Voedingsstoffen kunnen globaal worden onderscheiden in essentieel en niet-essentieel. Essentiële voedingsstoffen kunnen niet in voldoende mate door het lichaam worden geproduceerd en moeten dus worden aangevuld via de voeding. Tot de essentiële voedingsstoffen behoren de essentiële aminozuren, essentiële vetzuren en diverse mineralen en vitaminen. Niet-essentiële voedingsstoffen daarentegen, kunnen worden verkregen via de voeding of door het lichaam worden geproduceerd als de voeding tekortschiet.

Dit gaat echter niet op voor puppy's. Pups (embryonaal, foetaal of zogend) zijn voor alle voedingsstoffen afhankelijk van de moeder. Omdat veel van de stofwisselingsfuncties die zorgen voor de productie van niet-essentiële voedingsstoffen in het lichaam pas gaan werken wanneer pups al wat groter zijn, zijn alle voedingsstoffen voor hen in wezen essentieel.

Dit betekent echter niet dat voeding met het hoogst mogelijke aantal voedingsstoffen (eiwitten, calorieën of beide) moet worden gekozen of dat de voeding dan maar moet worden aangevuld met allerlei voedingssupplementen. Een overschot aan voedingsstoffen kan net zo schadelijk zijn als een tekort aan voedingsstoffen. Te veel energie in de voeding is vaak de oorzaak van ziekte onder pups en overgewicht bij de moeder, waardoor het werpen aanzienlijk kan worden bemoeilijkt. Het gebruik van voedingssupplementen kan een overschot aan voedingsstoffen zoals mineralen opleveren, waardoor de balans van de voedingsmatrix verstoord kan raken.

De sleutel tot optimale voeding is een uitgebalanceerd voedingsstoffenprofiel dat tegemoetkomt aan de behoeften van het dier. Mosier(6) schreef in 1977: "alleen met uitgebalanceerde voeding die zorgvuldig wordt gedoseerd, kan een optimale gezondheid per individu worden bereikt". Dus binnen de voedingsmatrix moet niet alleen worden gekeken naar de hoeveelheid eiwitten, vetten, koolhydraten, vitaminen en mineralen, maar ook naar het soort eiwitten en vetten, en de verhouding tussen voedingsstoffen, zoals eiwitten:vetten.

WAT IS DE JUISTE VOEDING?

Eigenaars of trainers van wedstrijd- of sporthonden verlangen over het algemeen hogere prestaties van hun honden dan de gemiddelde hondenbezitter, waardoor zij deze vraag vaak wat makkelijker kunnen beantwoorden. Ze weten immers met welk krachtvoeding ze goede resultaten hebben bereikt en ook met welk voeding niet. Voor fokteefjes moet dezelfde logica worden toegepast, maar dan verdergaand. De meeste wedstrijd- of sporthonden hebben in het actieve seizoen ongeveer tweemaal zoveel voeding nodig als buiten het seizoen. De voedingsbehoefte van een drachtig of zogend teefje is echter niet constant. Haar behoeften worden beïnvloed door de voortplantingsfase waarin ze zich bevindt, evenals door de nestgrootte en haar genen (melk). Vroeg in en halverwege de dracht (de eerste vijf weken), verandert er niet veel in de energiebehoeften van het teefje. Naarmate de pups laat in de dracht echter sneller groeien (afbeelding 2), groeit ook de energiebehoefte van het teefje (afbeelding 3); deze behoefte neemt tijdens het zogen nog verder toe. Hoewel het niet vaak voorkomt, hebben sommige teefjes op het hoogtepunt van de zoogperiode (21–34 dagen na het werpen) wel vijfmaal zoveel voeding nodig.

Afbeelding 2. Foetaal lichaamsgewicht pup (in gram) tijdens de dracht.  Afbeelding 3. Geschatte energiebehoefte van drachtig en zogend teefje in vergelijking met reguliere behoefte. Bewerking van Lepine, A.J. Feeding management of the reproductive cycle, in Proceedings. Canine Reproductive Health Symposium, 1997 North American Veterinary Conference; 27-29.

Wellicht vraagt u zich nog altijd af welke voeding u het beste kunt gebruiken. Kies bovenal algemeen verkrijgbare kwaliteitsvoeding van een goede fabrikant, die dierlijke eiwitten bevat en wordt aanbevolen voor de dracht- en zoogperiode. Er zijn vele recepten voor "zelfgemaakte" hondenvoeding in omloop, maar het is heel moeilijk om uw hond daarmee complete en uitgebalanceerde voeding voor te schotelen. Voer op basis van dergelijke recepten bevat mogelijk te weinig vitaminen, mineralen of andere voedingstoffen en het gehalte aan aminozuren en vetzuren is dan onbekend. Doordat niet altijd alle ingrediënten beschikbaar zijn, kan de samenstelling bovendien van tijd tot tijd variëren. Commerciële voeding heeft als voordeel dat de ingrediënten exact bekend zijn en dat het voer ondersteuning biedt bij de voortplanting.

Ongeveer twee weken vóór de dekking moet het teefje overschakelen (indien nodig) van reguliere voeding naar voeding die circa 30% goed verteerbare dierlijke eiwitten en 20% vetten bevat. Het vetgehalte van de voeding moet voldoende vetzuren bevatten om te voorzien in een omega-6- tot omega-3-vetzuurverhouding tussen 5:1 en 10:1. Uit recent onderzoek van The Iams Company, waarbij drie soorten voeding met elkaar werden vergeleken, is het gunstige effect van deze voedingsmatrix (Eukanuba® Premium Performance Formula) gebleken.(7) Gebruik van deze voeding in de gehele voortplantingscyclus leidde tot minder misconcepties, minder doodgeboorte en een consistentere nestgrootte bij meerdere worpen (afbeelding 4).7

Afbeelding 4. Invloed van voedingsvetzuren op nestgrootte bij Beagles.

Hoeveel voeding het teefje exact nodig heeft, varieert afhankelijk van haar ras en de snelheid van haar stofwisseling. Het aantal calorieën dient echter overeen te komen met haar reguliere voeding, zodat ze niet te veel eet.

Zoals eerder vermeld, is het aan te bevelen het teefje in de eerste vijf weken van de dracht voeding te geven met 30% eiwit en 20% vet in de gebruikelijke porties (op basis van calorieën). Mogelijk verandert de eetlust van het teefje ongeveer drie weken na de dekking: eerst een afname, gevolgd door een drastische toename. Dit betekent niet per se dat ze te veel of te weinig voeding krijgt. Deze fase van de dracht valt samen met maternale herkenning en de veranderde eetlust wordt mogelijk veroorzaakt door het innestelen van de embryo's. Het is van groot belang dat de dagelijkse routine van het teefje in deze fase zo min mogelijk wordt verstoord, zodat overmatige stress wordt voorkomen en de dracht niet in gevaar wordt gebracht.

Begin het teefje ongeveer vijf weken na de dekking elke dag iets meer te voeren, zodanig dat ze tegen het einde van de zesde week 50% meer voeding krijgt (afbeelding 3).8 Als het teefje gewoonlijk bijvoorbeeld 1000 calorieën per dag eet, moet ze tegen het einde van de zesde week ongeveer 1500 calorieën per dag krijgen. Informatie over het aantal calorieën per portie wordt meestal verstrekt door de fabrikant. Later in de dracht moet het gewicht van het teefje nauwkeurig worden bijgehouden, zodat u kunt controleren of ze voldoende aankomt.

Aangezien de gewichtstoename per ras varieert en zelfs de grootte bij volwassenheid in dit geval niets zegt, is het onmogelijk om in het algemeen aan te geven hoeveel procent het teefje precies moet aankomen. Labrador retrievers bijvoorbeeld, hebben in de regel meer jongen, waardoor men zou verwachten dat ze (procentueel) meer aankomen dan Engelse setters. Een goede vuistregel is echter een gewichtstoename van 25% tegen het einde van de achtste week (dag 56) na de dekking.

Voedingssupplementen

Het toedienen van voedingssupplementen aan drachtige teefjes is al vaak het onderwerp van discussie geweest. In diverse publicaties is gewezen op de voordelen van voedingssupplementen. 3,4,9 Voedingsstoffen die daarbij vaak werden genoemd, zijn eiwitten, calcium en vitaminen. In principe zijn voedingssupplementen uitsluitend nodig wanneer de vereiste hoeveelheid van een bepaalde voedingsstof niet uit de voeding wordt gehaald.

Voedingssupplementen zijn in theorie vaak echter makkelijker dan in de praktijk. Moderne commerciële voeding is erop gericht een uitgebalanceerd spectrum aan voedingsstoffen te leveren, waarbij "uitgebalanceerd" het sleutelwoord is.

Een cruciaal punt is dat niets aan voeding kan worden toegevoegd of eruit worden verwijderd zonder het algehele voedingsprofiel te veranderen. Een ander punt is dat weinig voedingssupplementen uitsluitend één bepaalde stof leveren. Kwark (voor calcium) en lever (voor eiwitten) worden bijvoorbeeld vaak als voedingssupplement gebruikt voor fokteefjes. Deze voedingsmiddelen bestaan echter geen van beide uit slechts één ingrediënt, waardoor het nettoresultaat meer dan alleen die ene gewenste voedingsstof is. Zo leveren zowel kwark als lever grote hoeveelheden fosfor. Kwark levert zelfs meer fosfor dan calcium, terwijl calcium de gewenste stof is (tabel).

Wanneer kwark aan de voeding wordt toegevoegd, verandert dus de verhouding calcium:fosfor. Hoewel de intentie goed is, is het belangrijk om het verhogen van de hoeveelheid voedingsstof niet te verwarren met het wijzigen van het voedingsprofiel. Het teefje heeft in de laatste fase van de dracht en tijdens het zogen wel meer voedsel nodig, maar dit betekent niet dat het voedingsprofiel moet worden veranderd. Als het teefje in deze fasen meer eet, krijgt ze meer voedingstoffen binnen en blijft de samenstelling van haar voeding tegelijkertijd in balans (tabel).

CONCLUSIES

De voeding van een fokteef hoeft niet ingewikkeld te zijn. Hoewel het verkrijgen van inzicht in voeding en voortplanting jaren kan duren, kan voeding in de dagelijkse praktijk betrekkelijk eenvoudig zijn: kijk naar de behoefte van het dier en pas het type en de hoeveelheid voeding daaraan aan. Deze simpele stelregel voorkomt weliswaar niet dat de fokker zelf moeten beoordelen welke voeding precies nodig is, maar elimineert wel vragen over de juiste combinatie van producten en/of voedingssupplementen. Het grootste succes in de hondenfokkerij hebben we bereikt met voeding bestaande uit ongeveer 30% dierlijke eiwitten en 20% vetten met een omega-6:3-verhouding tussen 5:1 en 10:1, zoals Eukanuba® Premium Performance Formula. De voordelen van dit product zijn onder andere een hogere bevruchtingsgraad, meer levendgeboorten en een constantere nestgrootte bij de teefjes. Hoewel voeding slechts één factor is in de verzorging van fokteefjes, is het een van de belangrijkste, zo niet de belangrijkste factor. De fokker die de juiste voeding kiest, heeft al een grote stap in de richting van een succesvol fokprogramma gezet.

Tabel. Invloed van voedingssupplementen op voedingstoffenbalans bij commerciële voeding

Eukanuba is een gedeponeerd handelsmerk van The Iams Company.

REFERENTIES

1. Hutchison R. Maximizing neonatal survival, in Proceedings. Canine Reproduction for Breeders, New York, 2001; 18-21.
2. Godfrey KM, Barker DJ. Fetal nutrition and adult disease. Am J Clin Nutr 2000; 71(5 Suppl):1344S-1352S. 3. Campbell JE, Phillips PH. Reproduction studies in dogs. J Nutr 1952; 47: 621-629.
4. Ontko JA, Phillips PH. Reproduction and lactation studies with bitches fed semipurified diets. J Nutr 1957; 65: 211-218.
5. Collins DR. The reproducing bitch. In: The Collins Guide to Dog Nutrition. 6th ed. New York:: Howell Book House, 1987; 231-236.
6. Mosier JE. Nutritional recommendations for gestation and lactation in the dog. Vet Clin N Am 1977; 7(4):683-692.
7. Kelley RL. Canine Reproduction: What should we expect? In: Reinhart GA, Carey DP, eds. Recent Advances in Canine and Feline Nutrition, Volume III: 2000 Iams Nutrition Symposium Proceedings. Wilmington, OH: Orange Frazer Press, 2000; 225-242.
8. Lepine AJ. Feeding management of the reproductive cycle, in Proceedings. Canine Reproductive Health; Proceeding from The North American Veterinary Conference. 1997: 27-29.
9. Moser E. Feeding to optimize canine reproduction efficiency. Prob Vet Med 1992; 4:545-550